Adriaan van Dis, schrijver van het 23ste (vooruit: drieëntwintigste) Groot Dictee van de Nederlandse taal, zei het prachtig: een dictee is het spel van de spelling. Een spel had hij er zeker van gemaakt. Na de eerste lezing van zijn tekst kon ik er nog geen touw aan vastknopen. Het begon pas te dagen toen Philips Freriks en zijn Vlaamse collega de zinnen langzaam en nadrukkelijk oplazen.

Uitspraak bleek cruciaal. Waar ik in eerste instantie ‘kidstrukendoos’ verstond, bleek het te gaan om kitschtrukendoos. Wat eerst klonk als ‘gepersifieerd’ was ‘gepercipieerd’. Een ronduit raar woord als ‘oerwoudgeluidenervaren’ bleek werkelijk ‘oerwoudgeluidenervaren’ te zijn. Goed ook dat de jury opmerkte dat het ging om ‘orang’-oetangs, en niet om ‘oerang’-oetangs. Uitzondering op de regel: wat klonk als ‘minitieus’ schrijf je toch echt als ‘minutieus’.

Ook voor een neerlandicus is de spelling van het Nederlands niet vrij van hindernissen. Vooral het koppelteken- en spatiegebruik kost me elk jaar punten. Ik zet te veel streepjes. In dictees mogen streepjes alleen als ze verplicht zijn, niet als ze helpen de uitspraak te verduidelijken. Neem nou een woord als no-goarea. Zou ik nooit zo schrijven, want het is voor de lezer lastiger te lezen dan no-go-area. Hetzelfde geldt voor a-priorikeus versus a-priori-keus. En dan blijkt ik-besef weer wél met een streepje te moeten: hopeloos!

Met 23 fout schaar ik me bij dichter Bart Chabot en de Volkskrantlezers. Met bewondering voor de docent wiskunde en docent natuurkunde die als derde eindigden. Goed in exacte vakken zijn en ook nog zo’n niet-exact fenomeen als spellen beheersen, da’s pas knap!

Toelichting op de schrijfwijze van Onze Taal

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.